Agrarische Bijgebouwen

Er was een duidelijke scheiding tussen woon- en werkerf. Het woonerf werd bijgehouden door de boerin en het werkerf was het domein van de boer. Het werkerf heeft lange tijd uit zand bestaan. Pas in de 20ste eeuw ging men over tot het verharden van het erf. De laatste decennia werd zelfs het erf verhard met rijplaten of beton.

Op het woonerf bevonden zich de moestuin, de siertuin, het kippenhok, de boomgaard, de put, etc. De put bevond zich meestal in de buurt van de voorstal, omdat dit functioneel was. Echter men was afhankelijk van de plaats waar de waterader zich in de grond bevond.

Het werkerf was gericht op de functionele bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf. De mestvaalt, de gebouwen voor oogstopslag en gereedschappen, etc. bevonden zich op het werkerf. Het erf had vaak een rommelig karakter.

Op het erf van de historische boerderij stonden altijd meerdere soorten bijgebouwen. Ze bepalen de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving door het sobere en doelmatige voorkomen. Verder zijn deze gebouwen veelal opgetrokken uit streekeigen (en goedkope) produkten. De situering op het erf en het karakter van de bijgebouwen zijn niet uniform maar verschillen per regio. De voornaamste gebouwen die nog aanwezig zijn op de huidige erven, zijn onder andere:
- diverse soorten schuren, bijvoorbeeld: dwarsdeelschuur, Vlaamse schuur, schop,
- bakhuis
- waterput met hefboom

De onderstaande gebouwen zijn niet of nauwelijks meer te vinden in Noord-Brabant:
- schaapskooien
- veldschuren
- hooibergen/ -mijten
- losstaande Wc’s
- duifhuizen
- zomer-winterverblijf
- kotten
- kippenren (leghokken)
- bijenkorven

De schop is een gebouw dat in het cursusgebied regelmatig voorkwam en komt. Dit gebouw werd gebruikt voor opslag van spullen en wagens en was aan de voorzijde open.

De dwarsdeelschuur werd met name gebruikt als dorsvloer en oogstopslag. Het stallen van vee gebeurde in het hoofdgebouw. Echter na uitbreiding van de veestapel werd ook dit gebouw in sommige gevallen gebruikt voor stalling van vee.

Het bakhuis bevond zich meestal op het woonerf. Er zijn verschillende soorten bakhuizen. Sommige bakhuizen werden ook als zomerhuis gebruikt. Dit waren de grote bakhuizen.

De hooibergen en –mijten zijn vanouds agrarisch bedrijfsgebouwen voor de opslag van hooi en granen. Het is ook een wijkplaats voor dieren. In Noord-Brabant komt de hooiberg niet veelvuldig voor vergeleken met andere provincies. Vanaf de 20e eeuw dreigt de hooiberg snel te verdwijnen.

Voor meer informatie over hooibergen en –mijten kunt u terecht bij de Stichting Kennisbehoud Hooibergen Nederland (SKHN): www.hooiberg.info. U kunt ook de deskundige op dit gebied benaderen, mevrouw Suzanne Jurgens: s.jurgens@skhn.nl

In Landerd is men een project begonnen voor het bouwen van nieuwe (moderne) hooibergen. Nota bene, het is wel belangrijk om hierbij uit te gaan van ‘streekeigen bouwen’.